085-2735717 info@overheidsgedonder.nl

Raad van State legt uitspraak Europees Hof naast zich neer

Overheidsgedonder Raad van State legt uitspraak Europees Hof naast zich neer

Raad van State legt uitspraak Europees Hof naast zich neer

Raad van State legt uitspraak Europees Hof naast zich neer.

Op 8 november jl. heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak met betrekking tot permanente bewoning van een recreatiewoning in Moordrecht en de bewoonster in het ongelijk gesteld.

De bewoonster heeft zich beroepen op een uitspraak van het Europees Hof waarin dat Hof heeft bepaald dat ondanks dat iemand illegaal in een woning woont en willens en wetens de lokale/landelijke wetgeving overtreed er toch sprake is van een schending van Artikel 8 EVRM als de gevolgen van handhaving de bewoner onevenredig benadelen.

De Moordrechtse eigenaar/bewoonster van de recreatiewoning wordt met deze uitspraak dakloos en riskeert een dwangsom van 20.000 euro. Het Europees Hof heeft echter bepaald dat dakloos worden zwaar weegt, in ieder geval zwaarder dan het belang van de overheid ondanks de illegaliteit en de lokale/landelijke wet en regelgeving.

Het is te gek voor woorden zegt de Moordrechtse recreatiewoningbezitter. Dakloos zijn terwijl je een koophuis hebt op eigen grond dat aan het bouwbesluit voldoet. Ik sta, na de breuk met mijn toenmalige vriend, al sinds 2015 ingeschreven bij de lokale woningbouwverenigingen voor een reguliere woning. Ik heb toestemming gekregen om tijdelijk in mijn recreatiewoning te mogen wonen tot ik een reguliere woning vond, maar ik kom niet voorbij plaats 230. De wachtlijst is ongeveer 12 jaar in Zuidplas. Zuidplas is niet genegen om op welke manier dan ook mij te helpen bij een zoektocht naar een woning, ondanks de plicht om inwoners die zich in mijn situatie bevinden te helpen.

De Moordrechtse bewoonster is echter niet uit het veld geslagen en gaat strijdlustig de uitspraak van de Raad van State laten toetsen door het Europees Hof. Samen met de Belangenvereniging Vrij Wonen en diens huisadvocaat Veltman uit Amersfoort gaan zij namens nog 45 andere gedupeerden uit het hele land de zaak over drie weken indienen bij het Europees Hof.

Hieronder zullen we de overwegingen van de uitspraak behandelen.


Overweging 4

4.    [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat concreet zicht op legalisering bestaat zodat het college van handhaving had moeten afzien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2616), volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.

Uit Verzoekschrift: Landelijk zijn diverse onderzoeken en rapporten uitgevoerd en geschreven dat het beoogde doel, het stoppen van bewoning van recreatiewoningen, door middel van handhaving zijn doel voorbij schiet, en slechts verloedering en ver-criminalisering van de parken bevordert. (bijl. 19 (zie hierboven)) In uitspraak ECLI:NL:RVS:2017:1887 oordeelt de Raad van State dat het tegengaan van leegstand en verloedering legalisering rechtvaardigt.

De landelijke politiek komt steeds meer tot de conclusie dat gemeenten blijkbaar niet in staat zijn deze problematiek zelfstandig aan te pakken. Om de decentralisering en de ongewenste effecten hiervan bij de landelijke politiek aan te kaarten heeft de Vereniging Vrij Wonen in 2013 een manifestatie georganiseerd in Den Haag. Bij deze betoging is heel duidelijk het beeld geschetst van de toekomst zoals deze zich vandaag de dag openbaart. Er zijn nu verloederde vakantieparken waar criminaliteit en illegaliteit hoogtij vieren. Dit alles is voorspeld door de BVVW in 2013 en eerder.

Thans hebben PVV ,SP en D66 kamervragen gesteld over de verloedering en hoe de landelijke overheid denkt dit probleem te gaan tackelen. Het is niet uit te leggen dat je in de ene gemeente wel mag wonen in je recreatiewoning (bijvoorbeeld Gouda) en de volgende gemeente 3 kilometer verderop (Moordrecht) niet.

Het college heeft zich onder verwijzing naar de bij besluit van 18 december 2012 vastgestelde “Beleidsnota niet-recreatief gebruik van recreatieverblijven” op het standpunt gesteld dat het niet bereid is om omgevingsvergunning te verlenen voor het in strijd met het bestemmingsplan permanent bewonen van de recreatiewoning. Volgens het in de Beleidsnota neergelegde beleid kan een persoonsgebonden omgevingsvergunning of gedoogbeschikking worden verleend voor de permanente bewoning van een recreatiewoning indien betrokkenen op 31 december 1993 een recreatiewoning bewoonden in de voormalige gemeente Moordrecht. Indien de permanente bewoning van een recreatiewoning, zoals in dit geval, na 31 december 1993 is aangevangen, wordt behoudens bijzondere omstandigheden daartegen handhavend opgetreden.

Het college heeft ook een aanvulling op die beleidsnota gemaakt:

7.1 Tijdelijk niet-recreatief gebruik in verband met een calamiteit of daartoe nopende omstandigheden

In deze eerste categorie is er sprake van bijzondere omstandigheden, zoals een calamiteit, of andere nopende persoonlijke omstandigheden zoals een echtscheiding of een ingrijpende verbouwing van een huis, die ertoe geleid hebben dat iemand tijdelijk zijn of haar hoofdverblijf in een recreatieverblijf heeft. Personen die wegens deze bijzondere omstandigheden tijdelijk gebruik maken van recreatieverblijven, handelen hiermee ook in strijd met het bestemmingsplan. Op dat moment gebruiken zij het recreatieverblijf immers als hoofdverblijf, en niet voor recreatie. Gelet op de duur en de intensiteit van dit verblijf, blijkt het in de praktijk echter minder (ruimtelijke) impact te hebben, dan de permanente bewoning zoals we die in de voorgaande hoofdstukken bespraken en de impact die bewoning door arbeidsmigranten heeft op de ruimtelijke uitstraling. Daarnaast is de verzameling van de bewijslast voor handhaving op tijdelijk niet-recreatief gebruik in verband met een calamiteit of door nopende omstandigheden, redelijk tijdrovend. Dit kan tot gevolg hebben dat de overtreding op het moment dat de bewijslast rond is, reeds is beëindigd omdat in de tussentijd woonruimte elders is gevonden of de verbouwing is afgerond.

Lage prioriteit

Gelet op het vorenstaande, beoordeelt het college alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende of handhavend moet worden opgetreden. Het college kent hier een lage prioriteit aan toe. Dit betekent niet dat de bewoning wordt gelegaliseerd. In geval van bijzondere omstandigheden kan besloten worden (tijdelijk) af te zien van handhaving. Gelet op de begunstigingstermijn van maximaal zes maanden die wordt gekoppeld aan de dwangsom is er in deze categorie, gezien de aanleiding van de bewoning, waarschijnlijk voldoende tijd om de bewoning te kunnen beëindigen zonder een dwangsom te verbeuren.

Uit verzoekschrift: Wittop Koning mag wonen in haar woning, en heeft daar mondeling toestemming voor gekregen, die summier in een brief bevestigd is. Dit is gezien de uitspraak en het verweer van Zuidplas inzake de wobverzoeken een gangbare manier van werken binnen de gemeente.[7] (RVS:2016:302 blz. 5, 5.1)

De bezwaarschriftencommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet in geschrift is gebleken dat Wittop Koning mag wonen in de woning.  Naar aanleiding van dit standpunt heeft Wittop Koning op 26 juni 2017 haar complete dossier van de Sociale Dienst opgevraagd, (bijl. 9) daar moeten immers de bewuste brief, alsmede de sommatie van de sociale dienst dat Roozenburg zich inschrijft op het adres Oosteinde 11 h82 in zitten. Zodra het dossier bij Wittop Koning binnen is, zullen deze stukken in de procedure worden gebracht. De termijn is zes weken na verzoek. Op 7 augustus 2017 zouden de stukken aangeleverd moeten zijn[8].

De dwingende vraag is hoe het niet voorhanden hebben van één brief waar summier de toestemming om te wonen in staat, in verhouding staat tot het kwijt zijn van 70% van het archief?

Uit beroepschrift: Wittop Koning is een van die gevallen waarin mondeling te kennen gegeven is dat zij mocht gaan wonen in haar woning zoals het college bedoelde bij verweer in uitspraak RVS:2016:302 blz. 5, 5.1. Deze toezegging is summier in een brief benoemd. De originele brief is ingeleverd bij de Sociale Dienst Zuidplas voor de aanvraag woonkostentoeslag die toegekend is. De bewuste brief is nog niet getraceerd.

Naar aanleiding van het op 19 april 2014 gesloten coalitieakkoord heeft het college besloten om maatwerk te leveren. Vaststaat dat [appellante], ondanks haar aanvraag, geen maatwerkoplossing heeft gekregen. Voor die gevallen, zoals hier aan de orde, waarin geen sprake is van een maatwerkoplossing geldt volgens het college dat het juridisch en financieel niet haalbaar en wenselijk is om de recreatieve bestemming los te laten en ander gebruik toe te staan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste omgevingsvergunning niet zal kunnen worden geweigerd. Gelet hierop bestaat geen concreet zicht op legalisering.

5.    [appellante] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college door handhavend op te treden in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Niet is gebleken dat aan [appellante] dergelijke toezeggingen zijn gedaan waaraan zij redelijkerwijs het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat in haar geval niet tegen de permanente bewoning van de recreatiewoning zou worden opgetreden. Dat het niet kunnen overleggen van de brief waarin de toezegging zou zijn gedaan niet alleen te wijten is aan het feit dat [appellante] deze kwijt is geraakt, maar ook te wijten is aan een gebrekkig archief van de gemeente, wat daar ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het aan [appellante] is om aannemelijk te maken dat er een toezegging als hiervoor bedoeld is gedaan en derhalve om de stukken te overleggen waaruit blijkt dat de toezeggingen zijn gedaan.

Uit verzoekschrift: Daarnaast heeft Gemeente Zuidplas bij de Raad van State te kennen gegeven, en is als zodanig uitgesproken op 10 februari 2016 (201501606/1/A3) op bladzijde 5 kop 5.1 laatste alinea dat: “Hierbij wordt van belang geacht dat het college ter zitting van de Afdeling te kennen heeft gegeven dat niet in alle gevallen waarin permanente bewoning werd gedoogd een besluit is genomen waarin dat te kennen is gegeven”.

Niet alleen het archief is niet op orde, ook de formeel te bewandelen route voor rechtmatige handhaving is niet gevolgd:

Uit de uitspraak van 16 december 2014 (SGR14/6721, blz. 4 tweede alinea) heeft het college in verweer aangevoerd dat er tussen 1997 en 2010 géén Handhavingsuitvoeringsprogramma’s zijn vastgesteld voor Moordrecht. Dit is ook als zodanig uitgesproken. Als er géén handhavingsuitvoeringsprogramma’s zijn vastgesteld tussen 1997 en 2010, kan het college niet in verweren aanvoeren dat er goed gehandhaafd is in het verleden. [4] De in eerdere handhavingszaken aangevoerde verweren van eigenaren die gehandhaafd werden, dat er in het verleden niet goed gehandhaafd is, wordt door deze uitspraak gestaafd.

Uit Beroepschrift: In het verzoekschrift heeft Wittop Koning uitvoerig en onderbouwd gevraagd of de rechtbank wil uitspreken of een gemeente met een niet ordentelijke administratie wel KAN handhaven. In de rapportage is een casus aangedragen dat de gemeente een handhavingstraject opgestart is bij iemand die gelukkig nog zijn vergunning kon vinden! (bijl. 3) Wittop Koning kan die brief aan haar niet meer vinden. Deze zat ook niet in het opgevraagde dossier. Deze casus is ook verwerkt in de Rapportage vergunningen recreatiewoningen Moordrecht.

De gemeente gaat ervan uit dat er alleen gedoogd wordt als er een schriftelijk bewijs kan worden overlegd door de gehandhaafde, ondanks de eigen bewering RVS:2016:302 blz5. 5.1. Inmiddels is duidelijk dat tenminste één gedoogde aangeschreven is met een vooraankondiging last onder dwangsom (bijl. 3). Kennelijk is er geen sluitende administratie van de gedoogden. Kan er zonder een sluitende administratie gekozen worden voor handhaving?

6.    [appellante] betoogt onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: het EHRM) van 21 april 2016 in zaak nr. 46577/15, Ivanova en Cherkezov tegen Bulgarije (www.echr.coe.int) dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college door handhavend op te treden in strijd handelt met het proportionaliteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 6 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Het enkele feit dat de inmenging in de door artikel 8 EVRM gewaarborgde rechten bij wet is voorzien, is onvoldoende om die inmenging te rechtvaardigen. Daartoe voert zij aan dat haar belang als eigenaresse en bewoonster van de recreatiewoning zwaarder weegt dan het belang van het college bij handhaving. In dit verband merkt zij op dat het college met handhaving er naar streeft de recreatieve functie van de recreatiewoningen terug opnieuw te realiseren terwijl daar volgens verschillende onderzoeken geen behoefte aan is. Voorts leidt volgens haar het handhavend optreden van het college tegen recreatiewoningen tot verloedering en criminalisering van recreatieparken.

6.1.    De Afdeling zal het beroep op artikel 6 van het EVRM in samenhang met het beroep op artikel 8 van het EVRM behandelen en daarbij de nadruk leggen op de inbreuk op het huisrecht.

6.2.    Artikel 8 van het EVRM luidt: 1.Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2.Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

6.3.    Het arrest van 21 april 2016 in zaak nr. 46577/15, Ivanova en Cherkezov tegen Bulgarije (www.echr.coe.int) heeft betrekking op een zaak over een huis dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste vergunning. Het bevoegde bestuursorgaan heeft zonder rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden besloten dat de woning dient te worden afgebroken. De nationale rechter heeft het besluit in stand gelaten waarbij evenmin rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden. Het EHRM overweegt in het voornoemde arrest dat artikel 8 van het EVRM wordt geschonden indien een woning moet worden gesloopt omdat het zonder de vereiste vergunning is gebouwd terwijl er geen ruimte bestaat om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden. Volgens het EHRM moet het juridische kader voor het nemen en het toetsen van een dergelijk besluit ruimte bieden aan het betrekken van de door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde belangen.

6.4.    Niet in geschil is dat de inmenging in de door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde rechten bij wet is voorzien, te weten de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en het bestemmingsplan. De hierin neergelegde voorschriften hebben een legitiem doel. Zij zijn onder andere ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. In dit geval gaat het om de naleving van het bestemmingsplan. Voorts zijn de voorschriften noodzakelijk in een democratische samenleving als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM dat wil in dit geval zeggen dat beslissingen die in dit opzicht worden genomen evenredig zijn aan het doel dat wordt gediend. Uit hetgeen in 6.3 is overwogen, volgt dat de inmenging pas is toegestaan, indien de belangen van [appellante] zijn afgewogen door het bestuursorgaan en een rechtsmiddel bestaat dat het mogelijk maakt om de proportionaliteit van het genomen besluit te toetsen.

 De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat hier niet aan wordt voldaan. In dit geval bestaat er zowel bij de besluitvorming door het college als de toetsing daarvan door de rechter ruimte om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van [appellante]. Het college heeft zich in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 20 maart 2017 op het standpunt gesteld dat het meer waarde toekent aan het algemeen belang dat is gediend met handhaving, te weten naleving van het bestemmingsplan zodat het recreatief gebruik behouden blijft dan aan de belangen van [appellante] bij het voortzetten van het met het bestemmingsplan strijdige niet-recreatieve gebruik van het recreatieverblijf. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Uit de uitspraak van het Europees Hof:

37.

In drie finale uitspraken die in maart en juli 2013 en februari 2014 worden gegeven (blz. № 749 oT 22.03.2013 г. пo адm. Д. № 911/2013 Г., АC-Bаphа; pеш. 1782 oT 04.07.2013 г. пo de administratieve rechtbank van Varna heeft de vorderingen afgewezen. krachtens artikel 294 van het Wetboek met betrekking tot de sloop van een gebouw dat de enige woning van verzoekers was. Zij heeft de zaak onderzocht op grond van het evenredigheidsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 6 van het wetboek (zie punt 27 hierboven) en artikel 8 van het verdrag, maar vond dat, hoewel het gebouw het enige huis van verzoekers was, het nog steeds onderhevig was aan sloop omdat het illegaal gebouwd was en omdat er geen alternatieve middelen waren om illegale bouw te bestrijden, met name gezien het feit dat de bewoners het gebouw bouwden in een zone waar de bouw verboden was. Eventuele argumenten met betrekking tot hun slechte gezondheid of gebrek aan middelen waren irrelevant. Het evenwicht tussen de concurrerende belangen was op wetgevend niveau opgelost. Door anders uit te spreken zou het betekenen dat illegale gebouwen bewoond door personen met een slechte gezondheid of personen die geen andere plaats hadden om te leven, niet zouden kunnen worden gesloopt, waardoor bouwvoorschriften zinloos zouden kunnen worden. De eisers hebben vervolgens op basis van dezelfde argumenten het beheer van de procedures voor de tenuitvoerlegging van het sloopbevel door de bouwcontroleautoriteiten beëindigd. In een eindvonnis van 22 juni 2015 heeft de Varna Administrative Court, op grond hiervan een vordering ingesteld bij het Hof van Justitie van Varna, op 22 juni 2015 een beroep gedaan op 22.06.2015 г. пo адm. Д. № 1230/2015 г., АC-Bаphа) de aanklachtofficier van de stad van Sofia, verklaarde dat de beëindiging nietig was op grond dat het onontkoombaar was gebaseerd op argumenten die al in een eindvonnis waren onderzocht en afgewezen.

38.

In een eindvonnis van 6 maart 2015 heeft de Haskovo Administrative Court een vordering uit hoofde van artikel 294 van het wetboek afgewezen in de zin van artikel 294 van het Wetboek van Justitie van 6 maart 2015 (blz. 6 tot en met 06.03.2015, blz. 19/2015, АC-Xаcкobo) met betrekking tot de sloop van een gebouw dat de enige woning van de eiser was. Zij concludeerde dat zij de argumenten van verzoekers betreffende de evenredigheid van de sloop niet kon bespreken omdat zij niet de wettigheid van de handhaving hadden aangespannen, maar de rechtmatigheid van de sloopbevel, die reeds in eerdere gerechtelijke procedures was bevestigd.

39.

In twee definitieve uitspraken gegeven in januari 2016 (blz. . № 156/2015, АC-Лobеч), heeft de administratieve rechtbank Lovech krachtens artikel 294 van het wetboek de vorderingen afgewezen met betrekking tot de sloop van gebouwen die het enige huis van verzoekers waren. Net als het administratieve hof Varna en in tegenstelling tot het Haskovo administratief recht heeft het de zaak onderzocht op grond van het evenredigheidsbeginsel, zoals omschreven in artikel 6 van het wetboek (zie punt 27 hierboven) en artikel 8 van het verdrag, maar ook al waren de gebouwen het enige huis van de eiser, ze waren nog steeds onderworpen aan sloop omdat ze illegaal waren en omdat er geen alternatieve middelen waren om illegale bouw te bestrijden.

40.

In vier definitieve beslissingen van 15 september 2015 (15 april 2015, 15 september 2015, 15 oktober, 2015, werd de naam van de Commissie bijgewerkt. № 707/2015 Г., АC-Па3аpджик; oпp. № 997 oT 15.09.2015 Ар-д. № 708/2015 Г., АC-Па3аpджик; oпp. № 1002 oT 15.09.2015 и по адm. д. № 706/2015 г., АC-Па3аpджик) heeft de administratieve rechter van Pazardzhik interim-maatregelen opgelegd in een procedure krachtens artikel 294 van het wetboek betreffende huizen bewoond door een aantal Roma-families op grond dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de orders voor hun sloop zou deze gezinnen dakloos maken. Toen de rechter echter de juridische uitdagingen onder artikel 294 van het Wetboek op hun merites heeft onderzocht, verklaarde de rechtbank de stappen die werden genomen om de sloopopdracht nietig te verklaren niet door een bevoegde autoriteit waren genomen (zie p. № 599 oT 13.10.2015 Ар-Па3аpджик; АC-Па3аpджик; АC-Па3аpджик; péш. № 617 oT 22.10.2015 д. № 705/2015 г., АC-Па3аpджик; päш. № 624 oT 23.10.2015 ã. 707/2015 Г .; en pt. № 728 oT 10.12.2015 Г. д. № 706/2015 Г., АC-Па3аpджик).

 

Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat [appellante] er sinds geruime tijd mee bekend was dat zij haar recreatiewoning niet permanent mocht bewonen. Aan haar was immers reeds in 2011 een last onder dwangsom opgelegd naar aanleiding waarvan zij het niet-recreatieve gebruik van het recreatieverblijf heeft beëindigd. Het gebruik waartegen het college thans handhavend optreedt, is in 2014 aangevangen. De Afdeling neemt voorts in aanmerking dat naleving van de voorschriften uit de Woningwet, de Wabo en het bestemmingsplan door handhavend optreden mag worden afgedwongen en niet is gebleken dat er geen behoefte is aan recreatiewoningen op de Veluwe dan wel dat handhavend optreden zal leiden tot verloedering. 

 

De Raad stelt zich op dit standpunt ondanks de aanvullende beleidsnota niet recreatief gebruik recreatiewoningen en de toestemming die Wittop kreeg na de scheiding van haar toenmalige vriend en haar verhuizing terug naar haar eigen woning in Moordrecht, dat overigens in Zuid Holland ligt en niet op de Veluwe!

Uit verzoekschrift:

Belang en toekomstvisie recreatiewoningen Zuidplas:

De gemeente Zuidplas heeft tot op heden nog geen belang beschreven behoudens het terug willen van de recreatieve functie van de recreatiewoningen. Verschillende landelijke onderzoeken alsmede de eigen visie van Zuidplas (bijl. 13)  13.2   13.3   13.4  geven aan dat er geen behoefte is aan verblijfsrecreatie, zowel landelijk als regionaal. Zelfs op de Veluwe waar wel wat te doen is voor verblijfsrecreanten is er geen behoefte en wonen er nu, na intensief handhaven in het verleden,(bijl 1919.1  19.2  19.3  19.4  19.5 arbeidsmigranten en mensen die buiten het sociaal stelsel vallen op de parken. De oorspronkelijke bewoners zijn allen onder dwang vertrokken.

Het project “vitale parken” is in het leven geroepen om de gevolgen van handhaving uit het verleden te ondervangen. (bijl. 17) De oorspronkelijk bewoners zijn onder dwang (som) vertrokken en hebben plaats gemaakt voor de onderklasse, met criminaliteit en verloedering tot gevolg. Ook binnen Zuidplas is de neerwaartse spiraal sinds de handhaving duidelijk zichtbaar. Op bijvoorbeeld het ooit zo mooie rustige bewoonde recreatiepark “de Randstad” waar thans bij enige regelmaat overlast gevende situaties zijn en zelfs een inval om de mate van veiligheid en criminaliteit vast te stellen. (bijl. 15)

Zuidplas heeft geen toekomstvisie voor de parken. PvdA/GL Zuidplas heeft op 8 mei 2017 raadsvragen gesteld aangaande de toekomstvisie. Deze vragen zijn beantwoord op 22 juni 2017. Hieruit blijkt duidelijk dat er geen belang is, en geen toekomstvisie. (bijl. 16)

Zuidplas heeft het in alle officiële stukken alleen over de “negatieve gevolgen” van permanente bewoning. Wat die negatieve gevolgen zijn staat nergens benoemd, en is in geen enkel stuk terug te vinden. (bijl. 18) 18.1  18.2  18.3  18.4  18.5  18.6  18.7  18.8  18.9  18.10  18.11   18.12  18.13  18.14  De negatieve gevolgen van handhaving zijn wel duidelijk in kaart gebracht:

  • Verloedering
  • Criminaliteit
  • Voor Moordrechtse ondernemers een omzetschade van 1.8 miljoen op jaarbasis. (bijl. 25)
  • Handhavingskosten van rond de 1 miljoen per jaar, en dat voor een langere tijd (bijl. 18(zie hierboven) & 26)

Om artikel 8 ERVM buiten deze casus te houden moet er een belang zijn en een toekomstvisie van de Gemeente Zuidplas die zwaarder weegt dan het belang van Wittop Koning (en anderen) om in haar woning te mogen wonen. Op dit moment, en in het verleden, is niks van een dergelijk zwaarwegend belang gebleken aan de zijde van de gemeente en is het zelfs door diverse raadsleden als pure onwil bestempeld. (bijl. 24, 24.1  laatste artikel)

Het beleid moet een beoogd en bereikbaar doel hebben:

Het beoogde doel is duidelijk, er mag niet meer gewoond worden in de recreatiewoningen, maar is dat doel ook bereikbaar?

Al bij het ontstaan van de recreatieparken eind jaren 60 werd er al permanent gewoond op de parken. In de afgelopen 40 jaar (tijdens de eerste woningnoodcrisis) zijn steeds meer mensen permanent gaan wonen op de parken. Binnen Zuidplas worden van de ongeveer 900 recreatiepark kavels op 800 kavels permanent gewoond.

In 2010 is begonnen met de handhaving, volgens de informatienota aan de Raad van 6 juni 2017 (bijl. 18(zie hierboven)) blijkt dat op recreatiepark de Randstad weer opnieuw gehandhaafd moet gaan worden. Dit recreatiepark zou “klaar” zijn in 2014. In het huidige tempo heeft de gemeente nog 20 jaar nodig om alle bewoonde percelen te handhaven. In de praktijk gaan de nieuwe eigenaren van een gehandhaafd perceel wonen op het net aangekochte perceel, of huisvesten daar hun arbeidsmigranten. Het beleid heeft derhalve een onbereikbaar doel en is gedoemd in cirkeltjes rond te blijven draaien met een neerwaartse spiraal aan leefbaarheid en vitaliteit, zoals nu het geval op recreatiepark “De Randstad” met dat verschil dat het park nu meer verloederd en crimineler is ten opzichte van 2010. De bewoners zijn moeilijker te handhaven omdat zij veelal illegaal in Nederland verblijven, arbeidsmigranten zijn of anderszins onder de radar leven. (bijl. 15)

Landelijk zijn diverse onderzoeken en rapporten uitgevoerd en geschreven dat het beoogde doel, het stoppen van bewoning van recreatiewoningen, door middel van handhaving zijn doel voorbij schiet, en slechts verloedering en ver-criminalisering van de parken bevordert. (bijl. 19 (zie hierboven)) In uitspraak ECLI:NL:RVS:2017:1887 oordeelt de Raad van State dat het tegengaan van leegstand en verloedering legalisering rechtvaardigt.

 Negatieve effecten van permanente bewoning, oorzaken verloedering:

De Gemeente Zuidplas wil een einde maken aan de permanente bewoning vanwege de negatieve effecten. Deze negatieve effecten zijn echter in geen enkele publicatie, rapport, besluit of nota benoemd. Deze negatieve effecten (zouden die er zijn) bestaan dan al ruim 40 jaar, al zolang mensen wonen op de parken. Als die effecten zo negatief zijn, waarom is er dan niet veel eerder (voor 2010) handhavend opgetreden en is er geen handhavingsuitvoeringsprogramma opgezet tussen 1997 en 2010?

Bij uitspraak SGR 14/6721 (blz. 4 al. 2) Rechtbank Den Haag erkent Zuidplas dat er in de periode 1997-2010 geen handhavingsuitvoeringsprogramma’s zijn vastgesteld in Moordrecht.[6] Blijkbaar waren de negatieve effecten tussen 1997 en 2010 niet zo nijpend dat daarop gehandhaafd moest worden. Er werd wel volop gewoond op de parken.

De effecten van permanente bewoning worden pas negatief als de oorspronkelijke bewoners onder dwang hun recreatiewoning met fors verlies hebben moeten verkopen aan huizenopkopers die arbeidsmigranten en/of andere huurders in de huizen laten wonen. Huurders en arbeidsmigranten zijn minder zuinig op hun woning, onderhouden het minder en de verloedering slaat toe. Dit is precies wat er gaande is op bijvoorbeeld een Fort Oranje (bijl. 35) en de vitale vakantieparken op de Veluwe (bijl. 17)

Uit een eigen onderzoek van de bewoners op de Poldertuin en t’-Vissertje in 2013 bleek dat de bewoners op jaarbasis 1,8 miljoen euro besteden bij de plaatselijke middenstand in Moordrecht. (bijl. 25)

Uit de opgevraagde politiegegevens blijkt dat er een stijgend aantal meldingen en aangiftes zijn sinds de handhaving in 2010 begon en de oorspronkelijke bewoners onder dwang hun woning hebben verlaten. (bijl. 21) Helaas kon justitie niet de cijfers van vóór 2012 produceren, zodra deze wel ergens te verkrijgen zijn zullen deze cijfers ingebracht worden in de procedure.

Tot een andere conclusie dan dat er géén belang is voor Zuidplas, dat het beleid géén doel treft, dat er géén toekomstvisie is en dat de administratieve onderleggers voor het verantwoord opleggen van dwangsommen ontbreekt, kan niemand komen op basis van de gegevens die Zuidplas zelf aanlevert, in combinatie met de praktische gevolgen ondersteund door de landelijke ontwikkelingen in gemeenten die al langer aan het handhaven zijn geslagen.

 

  Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. De Koning
voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

712.

 

 

Deel dit bericht: